NL / PL / EN / ES / RO
Zoeken Menu

Vonnis

Bestuurder vs SNCU

01 nov 2019

De feiten

proces-verbaal

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/576012 HA ZA 19/695
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 1 november 2019
in de zaak van
[opposant] te [plaats] , opposant, advocaat mr. S.P. Koerselman te Zoetermeer,
tegen
STICHTING NALEVING CAO VOOR UITZENDKRACHTEN te Barendrecht, geopposeerde, advocaat mr. M.H.D. Vergouwen.
Partijen worden hierna ‘ [opposant] ’ en ‘SNCU’ genoemd.

1Het procesverloop

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • -de oorspronkelijke dagvaarding aan de zijde van SNCU van 14 februari 2017 met producties;
  • -het herstelexploot van 28 februari 2017;
  • -het verstekvonnis van 5 april 2017 onder zaaknummer / rolnummer C/09/527466 / HA ZA 17/207 (hierna: het verstekvonnis);
  • -de verzetdagvaarding van 27 februari 2019 aan de zijde van [opposant] met producties;
  • -het vonnis van 31 juli 2019, waarin een comparitie van partijen is bevolen;
  • -de mondelinge behandeling op 1 november 2019, waarbij namens SNCU de heer [A] is verschenen, bijgestaan door haar advocaat en [opposant] in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. D.E. van der Wiel. Van het verhandelende ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.
1.2.Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank met toepassing van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

2De beslissing

De rechtbank:
2.1.vernietigt het door deze rechtbank op 5 april 2017 onder zaaknummer / rolnummer C/09/527466 / HA ZA 17/207 gewezen verstekvonnis voor zover [opposant] daarin is veroordeeld aan SNCU € 1.795,50 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van 14 februari 2017 te betalen, en wijst, in zoverre opnieuw recht doende, deze vordering af,
2.2.bekrachtigt het onder 2.1 genoemde verstekvonnis voor het overige,
2.3.wijst het anders of meer gevorderde in oppositie af,
2.4.veroordeelt [opposant] in de kosten van de verzetprocedure, aan de zijde van SNCU tot op heden begroot op € 3.414,
2.5.verklaart de kostenveroordeling onder 2.4 uitvoerbaar bij voorraad.

3De beoordeling

3.1.De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
ontvankelijkheid verzet [opposant]
3.2.Het verzet van [opposant] wordt geacht tijdig en op de juiste wijze te zijn ingesteld, omdat het tegendeel niet door SNCU is gesteld en ook niet is gebleken. [opposant] wordt in zijn verzet ontvangen.
de vorderingen
3.3.
SNCU vordert in haar oorspronkelijke dagvaarding, samengevat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I. [opposant] uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid te veroordelen om aan SNCU te voldoen € 100.000 als schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, II. [opposant] uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid te veroordelen tot betaling aan SNCU van buitengerechtelijke kosten ad € 1.795,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, III. [opposant] te veroordelen in de proceskosten.
3.4.Bij verstekvonnis van 5 april 2017 heeft de rechtbank de vorderingen van SNCU toegewezen, waarbij de proceskosten zoals hiervoor genoemd onder 3.3 sub III zijn toegewezen voor een totaalbedrag van € 5.416,04.
3.5.[opposant] vordert in verzet, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, hem te ontheffen van de veroordeling tegen hem uitgesproken verstekvonnis tussen SNCU als eiseres en [opposant] als gedaagde en daarbij:
  1. primair SNCU in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar vorderingen af te wijzen,
  2. subsidiair, indien de rechtbank onverhoopt tot het oordeel komt dat [opposant] uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid aansprakelijk is, de forfaitaire schadevergoeding op nul te stellen, althans te matigen tot € 1.000, althans tot een in goede justitie te bepalen bedrag,
  3. zowel primair als subsidiair SNCU te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.
3.6.[opposant] was van 16 oktober 2012 tot 14 september 2016 enig bestuurder en enig aandeelhouder van Nacos Group B.V. (hierna: Nacos). Nacos Group B.V. was in deze periode enig bestuurder en enig aandeelhouder van Tempo Time Uitzendgroup B.V. (hierna: Tempo), die als onderneming als uitzendbureau actief was.
3.7.SNCU is in 2004 opgericht door werknemersorganisaties en de werkgeversorganisatie in de uitzendbranche om de activiteiten te bevorderen die gericht zijn op het creëren van goede arbeidsverhoudingen in de uitzendbranche. De taken en bevoegdheden van SNCU zijn vastgelegd in de CAO voor Uitzendkrachten (hierna: NBBU CAO) en de CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche (hierna: SFU CAO). Tot de taken van SNCU behoort het toezien op een correcte naleving van de cao. In dit kader voert zij geregeld onderzoek en controle uit.
3.8.Voor de periode 2013 tot en met 2015 heeft zij Tempo onderzocht. Ten tijde van deze onderzoeksperiode was steeds de SFU CAO en NBBU CAO van toepassing en algemeen verbindend verklaard. In deze cao’s is onder meer het Reglement II opgenomen, op basis waarvan een werkgever verplicht is in redelijkheid de inlichtingen te verschaffen die SNCU voor een goede uitvoering van de werkzaamheden nodig heeft. Indien de werkgever hieraan niet voldoet, kan hem onder voorwaarden op basis van art. 9 lid 1 Reglement II een forfaitaire schadevergoeding worden opgelegd van € 100.000,-.
3.9.Na een eerste brief van SNCU van 5 april 2016 heeft Tempo aan SNCU laten weten geen uitzendactiviteiten te verrichten. Tijdens het onderzoek heeft SNCU vervolgens diverse malen aan Tempo gevraagd om een aantal stukken over te leggen waaruit zou blijken dat Tempo geen uitzendactiviteiten verrichtte. Vaststaat dat niet alle stukken die door SNCU zijn opgevraagd, door Tempo zijn verstrekt, ook niet nadat Tempo bij brief van 13 mei 2016 door SNCU was gewezen op het verschuldigd worden van de schadevergoeding van € 100.000,- indien en voor zover de onderneming haar medewerking niet tijdig verleende. Daarop is door de administrateur van Tempo bij e-mail van 19 mei 2016, met cc aan Tempo, aan SNCU aangegeven dat Tempo vanaf de start van de onderneming geen personeel in dienst heeft gehad, er geen administratie aanwezig was en SNCU contact diende op te nemen met de Belastingdienst. Vervolgens heeft SNCU bij brief van 14 september 2016 op basis van art. 6 jo. art. 9 Reglement II een forfaitaire schadevergoeding van € 100.000,- aan Tempo opgelegd. Hierna is er nog enige correspondentie geweest tussen SNCU en Tempo. Hierbij zijn de gevraagde stukken niet allemaal overgelegd door Tempo.
3.10.Op 14 september 2016 heeft [opposant] het bestuur van en alle aandelen in Tempo overgedragen aan de heer [X] , zijn jongere broer.
Bestuurdersaansprakelijkheid
3.11.Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan ook een bestuurder van de vennootschap aansprakelijk zijn. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.
3.12.De rechtbank is van oordeel dat geen redelijk handelend bestuurder onder deze omstandigheden zou hebben gehandeld als [opposant] . Immers, hij was ten tijde van belang als (indirect) bestuurder en enig aandeelhouder op de hoogte van het feit dat:
  • -bij SNCU een nader onderzoek liep naar Tempo vanwege een gegrond vermoeden van een aantal cao-afwijkingen bij de onderneming van [opposant] ;
  • -in de door SNCU onderzochte jaren, blijkens een door hem zelf ingebrachte verklaring van de Belastingdienst, Tempo in elk geval in 2013 werknemers in dienst had en verloning heeft plaatsgevonden door Tempo zonder dat er afdrachten aan SNCU hebben plaatsgevonden;
  • -SNCU bij brief van 13 mei 2016 Tempo heeft aangezegd dat zij een forfaitaire schadevergoeding van € 100.000,- verschuldigd zou worden indien zij niet tijdig haar medewerking zou verlenen aan het onderzoek;
  • -de administrateur van Tempo bij e-mail van 19 mei 2016, met cc aan Tempo, aan SNCU heeft aangegeven dat Tempo vanaf de start van de onderneming geen personeel in dienst heeft gehad, er geen administratie aanwezig was en SNCU contact diende op te nemen met de Belastingdienst;
  • -Tempo in deze periode verder niet of niet toereikend medewerking heeft verleend aan het onderzoek van SNCU.
[opposant] heeft niettemin het bestuur van en alle aandelen in Tempo overgedragen aan een andere persoon, zonder zich ervan te vergewissen dat door het uitzendbureau medewerking zou (kunnen) worden verleend aan het onderzoek van SNCU. Ter zitting heeft [opposant] toegelicht dat hij bij de overdracht zijn broer op de hoogte had gesteld van de € 100.000,- die SNCU claimde, maar niet is gebleken dat [opposant] de nieuwe bestuurder en enig aandeelhouder van Tempo nader heeft geïnformeerd over het onderzoek dat door SNCU bij Tempo plaatsvond en heeft hij SNCU nimmer op de hoogte gesteld van de wisseling van het bestuur en het aandeelhouderschap.
3.13.Voor zover [opposant] aanvoert dat Tempo weldegelijk aan het onderzoek van SNCU heeft meegewerkt door het verwijzen van SNCU naar de Belastingdienst voor verdere informatie, volgt de rechtbank hem hierin niet. Met een enkele verwijzing naar een derde, zoals de Belastingdienst, voldoet Tempo en haar bestuurder niet aan haar eigen informatieverplichtingen aan SNCU die zij op basis van de geldende regelgeving heeft. Ten slotte staat met de uiteindelijk door hem ingebrachte verklaring van de Belastingdienst vast dat namens Tempo eerder, bij e-mail van 19 mei 2016, SNCU onjuist is ingelicht.
3.14.De stelling van [opposant] dat de termijnen in de brieven van SNCU niet kloppen en Tempo daardoor nooit in verzuim is geraakt kan niet tot een ander oordeel leiden. Ook ruim nadat deze termijnen verstreken hebben Tempo en [opposant] niet de door SNCU verzochte informatie aangeleverd aan SNCU. Daar komt bij dat in de gegeven omstandigheden het verzuim is ingetreden, omdat Tempo niet of niet toereikend heeft gereageerd op het verzoek van SNCU om binnen een redelijke termijn aan haar informatieverplichtingen te voldoen. Ook in deze procedure is de verzochte informatie niet alsnog verstrekt.
3.15.De slotsom is dat [opposant] onrechtmatig tegenover SNCU heeft gehandeld. Hem treft als bestuurder een ernstig verwijt en hij is daarom in persoon aansprakelijk voor de als gevolg daarvan ontstane schade.
Matiging
3.16.
De forfaitaire schadevergoeding, die conform het art. 9 lid 1 Reglement II bij de hiervoor genoemde cao’s en het daarop gevormde beleid is vastgesteld en maximaal € 100.000,- kan bedragen, is in karakter overwegend aan te merken als een boete en daarmee als een sanctie op de vertraging in de nakoming van de verplichtingen uit de betrokken cao’s. Voor de verschuldigdheid van de forfaitaire schadevergoeding is niet vereist dat SNCU zelf schade heeft geleden en dat de omvang van de schade door SNCU wordt onderbouwd. Een forfaitaire schadevergoeding als deze dient voldoende hoog te zijn om haar doel – een prikkel tot nakoming van de cao-verplichtingen – te kunnen bereiken. De forfaitaire schadevergoeding wordt door SNCU opgelegd aan Tempo. Dit neemt niet weg dat [opposant] als (indirect) bestuurder van Tempo eveneens gehouden is tot betaling van de forfaitaire schadevergoeding op grond van zijn onrechtmatig handelen tegenover SNCU, zoals hiervoor overwogen. Bij de matiging van de forfaitaire schadevergoeding dient, mede gelet op haar aard zoals hiervoor is overwogen, terughoudendheid te worden betracht. In de gegeven omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding tot matiging. [opposant] heeft in het licht van de betwisting ervan door SNCU de door hem aangedragen feiten en omstandigheden onvoldoende onderbouwd voor een geslaagd beroep op matiging.
Buitengerechtelijke incassokosten
3.17.[opposant] heeft de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten betwist op grond van artikel 6:92 lid 2 BW. Dat artikel bepaalt dat wat op grond van een boetebeding is verschuldigd in de plaats treedt van de schadevergoeding op grond van de wet. Partijen kunnen hiervan bij overeenkomst afwijken. Dit is in deze zaak niet gebeurd. Omdat art. 9 lid 1 Reglement II in de verhouding tegenover Tempo een overwegend karakter van een boetebeding heeft, kan SNCU ook van [opposant] geen buitengerechtelijke kosten vorderen. De oorspronkelijke vordering van SNCU die daarop ziet zal dan ook worden afgewezen.
Proceskosten
3.18.[opposant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze verzetprocedure. De kosten aan de zijde van SNCU worden begroot op (salaris advocaat) € 3.414 (2 punten x tarief V à € 1.707).
Deze mondelinge uitspraak is gedaan door mr. H.J. van Harten, rechter, en in het openbaar uitgesproken in de aanwezigheid van de griffier, waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat is verzonden op 5 november 2019.
Waarvan proces-verbaal,
Vonnissen en arresten